a. De hoeveelheid

Bomen groeien. Een bos produceert dus vanzelf hout, of je er nu in kapt of niet. Die houtbijgroei is te benutten door simpelweg zo nu en dan wat hout uit het bos te halen. De bosbeheerder kan echter ook invloed uitoefenen op die bijgroei door te sturen in de hoeveelheid, de soort en de kwaliteit van het hout.

Jong bos groeit meestal harder dan oud bosHoeveel hout er in een bos groeit hangt allereerst af van de bodem. Op rijke gronden groeit meer hout dan op arme zandgrond. Eiken op arm zand bijvoorbeeld groeien jaarlijks misschien zo’n 5m3 per ha bij, op de kleigronden van de polders kan dat wel oplopen tot 16m3 of nog meer. Maar ook binnen de zandgronden van bijvoorbeeld de Veluwe of de Kempen zijn er verschillen in bodemvruchtbaarheid, er zijn arme en minder arme zandgronden.
Aan de bodemkwaliteit kan de beheerder weinig veranderen, wel aan de leeftijd van het bos. En die leeftijd maakt nogal wat uit voor de groei: jong bos groeit meestal harder dan oud bos. Een beheerder zal – als houtproductie een van de doelen is – op enig moment oud bos willen inruilen voor jong bos en zo de productie weer op peil brengen.

b. Boomsoorten

Ook tussen de boomsoorten zijn er aanzienlijke verschillen in groeisnelheid. Eik bijvoorbeeld is een notoir trage groeier, maar kan uiteindelijk wel waardevol hout opleveren. Ook de grove den is niet zo’n snelle groeier. De dennen waren destijds heel geschikt als pionier op de open heidevelden. Waar de grond er geschikt voor is groeien lariks en douglasspar ruwweg tweemaal zo snel als grove den. Omdat bovendien de prijs die houthandelaren betalen voor lariks- en douglashout al langere tijd bijna het dubbele is van de prijs van grove den, ligt bij een productiedoelstelling de keuze voor deze soorten voor de hand. Op de rijke, vochtige gronden groeien populieren en wilgen sneller dan bijvoorbeeld essen en eiken. De keuze voor een bepaalde boomsoort maakt dus nogal wat uit voor de productie.

c. Houtkwaliteit en waarde

Ook de houtkwaliteit en daarmee de waarde van het hout dat staat te groeien is te beïnvloeden. Het betere naaldhout Het betere naaldhout is dik, recht en niet te zwaar betakt. wordt vooral als constructiehout gebruikt: planken en balken. Naaldhout van mindere kwaliteit - dun, krom en noestig - gaat naar de vezelindustrie voor spaanplaat e.d. Van het betere loofhout Loofhout is pas geschikt als meubelhout als het gaaf is, geen noesten bevat en bij voorkeur regelmatig is gegroeid. Zware eikenstammen worden nogal eens als balken gebruikt, dan is de noestigheid minder een bezwaar. worden meubels gemaakt. Meubelhout moet vooral noestvrij zijn. Het mindere loofhout gaat ook naar de vezelindustrie en kan altijd als brandhout worden verkocht.

Bij het uitdunnen in bossen met een productiefunctie gaat de bosbeheerder selecteren op kwaliteit: de betere bomen blijven staan en krijgen meer groeiruimte. De toekomstbomen zijn daar dus de bomen met toekomstige houtwaarde. Bomen die potentieel een hoge kwaliteit hebben kunnen bovendien worden opgesnoeid Het nut (of eigenlijk het rendement) van het opsnoeien van bomen blijft ongewis. Het is immers de vraag of de investering van de snoeikosten na enkele decennia van groei zich voldoende laat betalen in een hogere verkoopprijs van het hout. Ook de hoogte van de rente die daarbij berekend wordt is een onzekere factor. Bij de snelgroeiende douglas en lariks, en de hoge prijs die voor het noestvrije hout betaald wordt, lijken de perspectieven gunstig, dat wil zeggen in het onderste deel van hun stam van hun (dode) takken ontdaan. Als dat gebeurt op een moment dat de stam nog dun is, kan er een waardevolle, noestvrije houtmantel omheen groeien.

 

Samengevat: als houtproductie (mede) het doel is zal de beheerder:

  • zorgen voor productieve boomsoorten
  • bij de dunningen de bomen met houtpotenties bevoordelen
  • eventueel toekomstbomen tijdig opsnoeien
  • het bos niet te oud laten worden en dus tijdig verjongen.