a. Natuurlijke dunning: winnaars en verliezers

In bossen waarin niet gezaagd wordt vindt door concurrentie een natuurlijke selectie plaats. Men spreekt ook wel van zelfdunning. In het opgroeiende bos raken achterblijvers verdrongen en Nera bosreservaat in Roemenië: oerbos met veel relatief dunne bomensterven door lichtgebrek af. De sterkste bomen winnen. Tegen de tijd dat het bos min of meer zijn eindhoogte bereikt heeft, zijn dat vaak nog veel bomen. Immers, zolang er ruimte is voor een (kleine) kroon blijft de boom in leven. Dat verklaart waarom we in oerbossen (bossen waarin nooit of heel lange tijd niet door mensen is ingegrepen) vaak veel lange, relatief dunne bomen met een kleine kroon vinden, ook onder de oude bomen.

 

 

b. Hoogdunning en laagdunning

De meeste bosbeheerders dunnen bossen regelmatig uit. Het is de meest toegepaste beheermaatregel. Met een dunning krijgen de overblijvende bomen meer groeiruimte en wordt tegelijkertijd dunningshout geoogst. Vroeger was het de gewoonte om bij iedere dunningsronde In het jonge bos wordt gewoonlijk eens in de vier of vijf jaar gedund. Met het ouder worden van het bos loopt de interval tussen de dunningen op omdat het bos dan minder snel groeit. alleen de verliezers weg te nemen, de dunnere stammen dus. Omdat de kronen van deze verliezers meestal laag in het kronendak De verzameling van de boomkronen, de bovenste laag van een bos. zitten, spreken we van laagdunning. Laagdunning is een relatief simpele maatregel: de weg te nemen bomen dienen zichzelf aan. De dunne stammetjes waren destijds voor van alles bruikbaar: als zogenaamd geriefhout op de boerderij, maar ook als hout voor de papierindustrie. Nadeel van deze dunningsmethode is dat er niet echt door de mens wordt gestuurd. Hij bemoeit zich feitelijk niet met de concurrentie - waardoor onder de ‘winnaars’ soms kromme en zwaar betakte bomen zijn die uiteindelijk geen waardevol hout leveren.

In de zeventiger jaren van de vorige eeuw gaat men steeds meer over op hoogdunning. Het besef is dan doorgedrongen dat het verstandig is in te grijpen in het kronendak, dus te selecteren tussen de heersende bomen. Anders gezegd, de bosbeheerder gaat zich bemoeien met de concurrentiestrijd. Bomen met potentieel waardevol hout of andere kwaliteiten krijgen extra groeiruimte waardoor ze sneller dik en steviger worden.

c. Toekomstbomendunning

In de tachtiger jaren waait uit Duitsland de toekomstbomenmethode over. Deze werkwijze is inmiddels in Nederland en België gemeengoed. Het principe van de toekomstbomen is simpel en effectief. De beheerder selecteert op het moment dat het opgroeiende bos een zekere hoogte bereikt heeft zijn ‘favoriete’ bomen (en zal ze meestal markeren) Vanaf dat moment en bij alle dunningen daarna worden deze toekomstbomen consequent vrijgesteld. Vrijstellen wil zeggen extra groeiruimte geven, zodat deze bomen een grote kroon kunnen vormen en zo sneller dikker en stabieler worden.

Markante bomen langs wandelpaden als toekomstboomDe beheerder selecteert dus de bomen die later in het ‘volwassen’ bos de dienst uit maken. Dat selecteren is een belangrijk werk. Het bepaalt immers hoe het bos zich lange tijd daarna zal vormen. Met name in complexe,  gemengde bossen geeft de toekomstbomenmethode de beheerder houvast bij de vele keuzes die hij of zij daar moet maken. ‘Een toekomstboom is een boom die de toekomst in moet’, en een belangrijke rol in het bos vervult. Een beheerder kan kiezen voor een boom met potenties voor waardevol hout, maar ook voor bomen met bijzondere natuurkwaliteit zoals bomen met holtes, of afwijkende vormen of van een weinig voorkomende boomsoort. Ook bomen met esthetische waarden, zoals markante bomen langs wandelpaden kunnen als toekomstboom worden gekozen. In het gemengde bos is de methode van de toekomstbomen bijna onmisbaar. De beheerder kan namelijk vooraf, of al werkend, de verhouding tussen de verschillende boomsoorten bepalen, en zo de menging ‘reguleren’.  

d. De eerste keer dunnen

Als bos wordt aangeplant start een beheerder vaak met vele (duizenden) boompjes per hectare. Ook in geval van natuurlijke verjonging zijn er vaak grote aantallen jonge boompjes. Bij het opgroeien raken de zijtakken van de bomen elkaar al snel, en sterven dan door lichtgebrek af: het bos komt ‘in sluiting’. Dit natuurlijke proces van takafsterving, ook wel natuurlijke stamreiniging genoemd, is gunstig voor de latere houtkwaliteit. De boom krijgt immers minder zware takken en het hout daardoor minder zware noesten. Anders gezegd: hoe dichter de stand van het opgroeiende bos, hoe dunner de takken van de bomen zullen worden en hoe eerder ze door lichtgebrek afsterven.

Als van de bomen in het opgroeiende bos door de dichte stand over voldoende stamlengte de takken zijn afgestorven, komt het moment Dat moment verschilt nogal per boomsoort en groeiplaats: bij eiken op zandgrond bijvoorbeeld ligt dat tussen de 30 en 50 jaar, lariks op een goede leemhoudende bodem kan daar binnen 20 jaar al aan toe zijn van de eerste dunning. De beheerder kiest dan tussen de vele stammetjes zijn toekomstbomen uit en zal daar de er naast staande, concurrerende bomen bij wegnemen. Omdat het beheer tot dat moment is gericht op een zo dicht mogelijke stand, en er daarna bij de toekomstbomen juist ruimte gemaakt wordt, spreekt men van het omslagpunt. Sommige beheerders kiezen ervoor om de toekomstbomen op te snoeien: door de dode takstompen af te zagen op een moment dat de stam nog dun is, groeit er daarna een noestvrije houtmantel om de stam wat waardevoller hout oplevert.

Vanaf deze eerste dunning wordt, met name aan de vrijgestelde toekomstbomen, de diktegroei bevorderd en zal de dikte van de jaarring van de toekomstbomen extra gaan toenemen.