a. Strijd binnen één boomsoort

 In het opgroeiende bos strijden de bomen om een plek. Een concurrentiestrijd met winnaars en verliezers. Ze starten meestal met vele, zowel in geval van natuurlijke verjonging als bij aanplant. In de loop der tijd neemt zonder ingrijpen door de mens dat aantal vanzelf af. De lengtegroei is bepalend voor het succes van een individuele boom: de boom die hoger wordt dan zijn buren wint, de bomen die achterblijven worden overschaduwd en leggen geleidelijk het loodje. De winnaars steken boven de andere bomen uit en kunnen zich zo een grotere groeiruimte en dus grotere kroon aanmeten. Een grotere kroon betekent meer blad en daardoor meer groei. De bomen met een grotere kroon worden dus sneller dik (ze hebben bredere jaarringen).   

De dikte van een boom heeft een direct verband met de omvang van zijn kroon: hoe groter de kroon, hoe dikker de stam. Alle dunne bomen hebben een kleine kroon. De omvang van een kroon is afhankelijk van de ruimte die de boom in de loop van zijn leven heeft gekregen. Aan een grote kroon zitten veel bladeren of naalden en deze zorgen voor sterke groei en dus brede jaarringen. Daarmee is dus de dikte van een boom een onbetrouwbare maat voor zijn leeftijd: niet alle dikke bomen zijn oud, terwijl dunne bomen heel oud kunnen zijn. In de meeste bospercelen zijn de bomen gelijktijdig aangeplant en daar zie je vaak al grote verschillen in dikte. Als je omhoog kijkt, kan je zien dat die stamdikte correspondeert met de kroonomvang.

Dat verschil in kroonomvang en dus stamdikte is ook goed te zien bij laanbomen, bijvoorbeeld in de eenrijige eikenlaan op de profielfoto. Deze eiken zijn zo’n honderd jaar geleden op 5 meter van elkaar geplant. In de loop van de tijd is een kwart van de bomen door lichtgebrek afgestorven of als ‘verliezers’ weggezaagd.

Overal waar licht en ruimte is zal een boom takken vormen. Licht is nodig om blad te laten functioneren. In een bos waar de bomen dicht op elkaar staan moet de boom de ruimte delen met de buurbomen. Als je in een gesloten bos recht omhoog kijkt zie je tussen de kronen een soort niemandsland, een ogenschijnlijk ongebruikte ruimte. Die ruimte kan door de bomen niet ingevuld worden omdat de takken elkaar beschadigen Als bomen in de wind bewegen raken de takken van de bomen elkaar onderling en zo schuren en slaan de takken de kwetsbare knoppen kapot. en zo elkaar kort houden.

Bomen aan de rand van een perceel, de randbomen, hebben zware takken aan de kant waar ruimte is. Ze hebben dikke stammen want ze hebben een - weliswaar eenzijdige - grote kroon.

 

b. Strijd tussen soorten: groeisnelheid en lichtbehoefte

In het gemengde bos, een bos met verschillende boomsoorten door elkaar, is er naast de concurrentie tussen de individuele bomen ook nog strijd tussen de soorten onderling. Soms wordt bos gemengd aangeplant, maar vooral wanneer bos zich spontaan vormt, komen vaak verschillende boomsoorten op. Dan is het opnieuw vooral de lengtegroei die het succes van de individuele boom bepaalt. Pioniers, zoals berk, lariks en op de kleigronden els en wilg hebben een snelle jeugdgroei. Deze snelle groeiers zullen dus al gauw gaan overheersen en bomen van andere soorten overgroeien.

Onder een kronendak van eik, lariks of grove den is er voldoende licht voor beuk

Naast groeisnelheid speelt de lichtbehoefte van een boomsoort een belangrijke rol in de concurrentiestrijd.  Bomen waarvan het groen alleen maar kan gedijen in het volle licht, noemen we lichtboomsoorten. Voorbeelden zijn eik, grove den, lariks en wilg. Als deze bomen door buurbomen overgroeid raken, leggen ze het loodje. Alleen de individuen die als eerste boven zijn gaan het redden. Het kronendak van een bos met lichtboomsoorten is relatief ijl, het laat behoorlijk wat licht door.

Schaduwboomsoorten, zoals beuk en esdoorn, kunnen met weinig licht toe Alles wat groen is doet het beter in het volle licht. Schaduwsoorten kunnen weliswaar met minder licht toe, maar ook zij groeien beter als er meer licht is.. Onder een kronendak van soorten als eik, berk, lariks of grove den (alle lichtboomsoorten) is er voldoende licht voor de beuk. Schaduwverdragend betekent ook schaduw gevend. Met zijn lage, volgroene takken vormt de beuk een heel dichte kroon, de bladeren onder in de kroon kunnen immers met weinig licht toe. Daardoor is het onder beuken vaak kaal, er ontbreekt vegetatie door gebrek aan licht.

Qua lichtbehoefte zitten veel boomsoorten ergens tussen de uitgesproken lichtboomsoorten en schaduwsoorten, men spreekt van halfschaduwsoorten.
De lichtbehoefte - dan wel de schaduwtolerantie - is in allerlei vormen in het bos waar te nemen. Lichtboomsoorten hebben hun groen alleen hoog bovenin de kroon, daaronder zitten de door lichtgebrek afgestorven takken. Tegelijkertijd is er onder een bos van lichtboomsoorten nog voldoende licht voor schaduwtolerante soorten: die groeien er goed met veel vitaal groen. Lichtboomsoorten groeien niet in de onderetage van het bos of hebben het er moeilijk.

c. Eik versus beuk

De eik en de beuk zijn twee populaire boomsoorten van het Europese bos. Ze zijn wel heel verschillend van karakter. De mens heeft altijd een intensieve band met de eik Bedoeld is hier de inlandse eik - en dus niet de Amerikaanse eik. Meestal gaat het om zomereik (Quercus robur) soms wintereik (Quercus petrea); het verschil tussen zomer- en wintereik is niet groot. gehad. Eiken spreken tot de verbeelding Sterk, onverwoestbaar, stoer, oud, woudreus, ‘de koning van het bos’, heilige boom wellicht. In het verleden werd er recht gesproken onder oude eiken. Het hout is stevig, duurzaam en breed toepasbaar: van schepen tot weidepalen. In het verleden gebruikte men ongeveer alles van de eik: naast zijn stam als timmerhout en brandhout, gingen van het eikenhakhout Het eikenhakhout was eeuwenlang een wijd verbreide boscultuur in West Europa. Eiken werden gekapt en vanuit de stobbe groeide de boom weer uit met vele telgen. Na zo’n 15 jaar werd weer alles gekapt en begon de volgende cyclus. Het bracht brandhout en takkenbossen voort voor de bakkersovens. Met name toen in de middeleeuwen de bevolking toenam, was er een grote vraag naar takkenbossen om de ovens te stoken. Het weinige bos wat er was in die periode moet voor een groot deel uit eikenhakhout bestaan hebben. de dunne takken naar de bakkersovens, de schors naar de leerlooierijen De schors werd van de vers gezaagde stammetjes afgeklopt en tot looistof gemaakt om huiden mee te bewerken. en de eikels vormden een waardevol voedsel voor varkens. En - nieuw in de bosgeschiedenis - sinds de zeventiger jaren van de vorige eeuw zijn bosbeheerders eiken ook gaan waarderen om hun ecologische betekenis De ecologische betekenis wordt bepaald door de rol die een boomsoort speelt in het totale ecosysteem. Die rol is groter naarmate er meer verschillende organismen aan de boomsoort gebonden zijn. Zo herbergen eiken een veelheid aan insecten, er zijn enkele honderden soorten afhankelijk van de eik. Eiken zijn daardoor ook voedselbron voor andere dieren - zoals insectenetende vogels - en op de ruwe bast vind je vaak mossen en kostmossen..

Sinds de zeventiger jaren zijn bosbeheerders eiken gaan waarderen om hun ecologische waardeDe relatie van de mens met de eik is bovendien getekend omdat hij zonder de hulp van de mens het niet redt in een gesloten bos. In de meeste bossen zou hij van nature geen rol van betekenis spelen. De eik is namelijk een zwakke broeder in de concurrentie: hij is tamelijk lichtbehoeftig, groeit relatief traag en de eindhoogte van eiken ligt meestal onder die van de andere boomsoorten. Dat er toch zoveel eiken in het West-Europese bos te vinden zijn komt doordat hij altijd bevoordeeld is: vroeger om zijn hoge gebruikswaarde, tegenwoordig mede om zijn natuurwaarde.

De eiken moeten het vaak opnemen tegen de beuk. Met hun groeikarakter hebben beuken een stevige concurrentiepositie: ze kunnen schaduw verdragen Beuken kunnen onder een bestaand bos van bijvoorbeeld eiken, lariks of dennen makkelijk omhoog komen. en worden op de meeste groeiplaatsen hoger dan de eik. En daar gaat het fout voor de eiken: ze worden overgroeid en overschaduwd.  Waar eiken met beuken moeten ‘strijden’ legt de eik het vroeg of laat af. Onder een eikenbos kan wel een beuk opgroeien, maar onder een beukenbos vind je geen jongen eiken: daar is het veel te donker voor deze lichtbehoeftige boomsoort! Op zandgronden is het de beuk, op de kleigronden zijn het vooral es en de esdoorn waar de eik het niet van kan winnen. Van nature Op de vraag welk bos op onze zandgronden van nature thuis hoort spraken vakmensen voorheen wel van het ‘Eiken-berkenbos’ als een soort eindstadium. Dat inzicht is echter achterhaald: met uitzondering van de allerarmste groeiplaatsen waar de beuk niet goed wil groeien, wordt het gewoon overal beuk. Op de wat betere zandgronden zou het ‘Wintereiken-beukenbos’ het natuurlijk bosgezelschap zijn. Ook dat is weinig realistisch, daar wordt het nog sneller beuk, de eik is in concurrentie met de beuk kansloos. De eik ontbreekt onder een beukenbos volledig in de verjonging. Op opengevallen plekken kan wel berk ontstaan. Het is dus beter te spreken van het ‘Beuken-berkenbos’ als eindstadium., dus zonder menselijke ingrepen, zou er daardoor weinig eik voorkomen in het inheemse bos

Is het erg dat de eiken het zonder hulp afleggen? Welnee:

  • het is maar welk bos je wilt hebben: je kunt er voor kiezen het natuurlijk proces van bosontwikkeling de vrije loop te laten. Dat resulteert in een dominantie van beuk of andere schaduwsoorten.
  • als je eik of andere lichtboomsoorten wil, is dat makkelijk bij te sturen. Dat betekent zo nu en dan wat beuk omzagen
  • dat ‘winnen’ van de beuk gaat heel geleidelijk Sommige mensen spreken wel bezorgd over de ‘verbeuking’ van het bos. Geen paniek: het gaat langzaam en is ieder moment zonder kosten bij te stellen door namelijk simpelweg tijdig de beuk weg te nemen; dat kan in ieder geval brandhout opleveren. . Als je als beheerder even 10 jaar niet in je bos komt (en dat gebeurt helaas, voor velen zuigt het kantoor) kun je daarna meestal nog prima bijsturen.