a. Hout, natuur en beleving

De meeste bossen hebben al enige decennia een zogenaamde multifunctionele bestemming: ze moeten een bijdrage leveren aan natuur, houtproductie en recreatie. Bij de aanleg van de bossen in het verleden was dat nadrukkelijk anders: het ging toen vooral om het produceren van hout Op de landgoederen had het bos een economische functie: tussen de statige lanen bevonden zich percelen met eikenhakhout. Op buitenplaatsen – die dienden vooral ter ‘verpozing’ –  was bos onderdeel van de parkaanleg en het bieden van leefgebied voor jachtwild. Met het stijgen van de welvaart en urbanisatie in de zestiger jaren van de vorige eeuw ontstond de behoefte aan recreatieruimte. De eerste picknickbanken verschenen en in het bos werden wandelroutes uitgezet. Het feitelijke bosbeheer veranderde er niet door. Het was meer een kwestie van inrichting van het terrein en het maken van parkeervoorzieningen.

Kritische biologen openden publiekelijk de aanval op de traditionele houttelersDat was wel anders toen in de zeventiger jaren een aantal kritische biologen publiekelijk de aanval inzette op de traditionele houttelers. Met succes hebben zij onder de aandacht gebracht dat natuur niet alleen op heidevelden, vennen en andere natte natuurgebieden, maar ook in bossen een plaats verdient. Het moest helemaal anders: alle exoten eruit, dood hout in het bos achterlaten en bomen omtrekken om zo de storm en de natuurlijke processen na te bootsen. Rumoerige en interessante tijden voor de bosbeheerders. Excursies naar zogenaamde oerbossen in Oost Europa, hevige debatten tussen de kampen natuurbescherming versus houtproductie. Werden de stormen van 1972 en 1973 nog als een ramp voor het bos gezien - het leger werd ingezet om grootschalige aantasting door de dennenscheerder De dennenscheerder is een insect dat gezonde bomen aantast, maar zich vermeerdert onder de schors van zieke of afstervende bomen. De omgewaaide bomen zo redeneerde men moesten tijdig het bos uit om erger te voorkomen. Militairen hielpen met zagen en ruimen. te voorkomen - na de storm van 1990 schreven de kranten: ‘Wind in de zeilen voor natuurontwikkeling in bossen’.

Sinds die periode geldt in de meeste Nederlandse bossen een multifunctionele doelstelling, zij het dat de verschillende boseigenaren hun eigen accenten leggen. Zo richten Natuurmonumenten en de meeste provinciale Landschappen hun bosbeheer vooral op het versterken van de biodiversiteit, Staatsbosbeheer en de meeste particulieren geven meer gewicht aan de productiefunctie van het bos. Voor Staatsbosbeheer is het zelfs een door de politiek geformuleerde opdracht om een bijdrage te leveren aan de duurzame grondstoffenvoorziening. 

In Vlaanderen kwam in 1990 het Bosdecreet, een wet die de ecologische benadering en de multifunctionaliteit van bossen wettelijk verankerde. Naar Europese normen was dat toen behoorlijk vooruitstrevend. Vanaf het begin van deze eeuw stimuleerden de eerste Bosgroepen privéboseigenaars tot een beter planmatig en multifunctioneel beheer.

Dood hout in het bos is inmiddels geaccepteerd 

In de Vlaamse openbare bossen (ca. 25%) raakten productiedoelen wat naar de achtergrond en kwam het accent aanvankelijk op toegankelijkheid te liggen. Rond 1996 werden de eerste bosreservaten ingesteld. Sedert enkele jaren ligt de nadruk bij het beheer van openbare bossen op biodiversiteit met de realisatie van de Natura2000 doelstellingen. Dit wordt gecombineerd met een gemiddelde jaarlijkse houtkap van 4m³/ha en een accent op natuurbeleving. De laatste jaren is er een versterkte aandacht voor kwaliteitshoutproductie.  

b. Geïntegreerd bosbeheer

De gepolariseerde stemming onder de bosbeheerders verstomde redelijk snel toen in de tachtiger jaren - lang leve het poldermodel - een soort tussenvorm in zwang raakte: geïntegreerd bosbeheer. Geïntegreerd bosbeheer is een methode van bosbeheer waarbij biodiversiteit en de productie van waardevol hout worden gecombineerd: een integratie van doelstellingen dus. Brochures, lezingen, excursies, posters en cursussen zijn met succes ingezet om geïntegreerd bosbeheer bij de beheerders tot gemeengoed te maken. Dood hout in het bos is inmiddels geaccepteerd en vrijwel overal wordt gewerkt naar een gemengd bos in plaats van de puur op houtteelt gerichte monoculturen. Gemengde bossen kennen een hogere biodiversiteit en zijn tegelijkertijd minder kwetsbaar voor stormen, branden en grootschalige aantasting door schimmels en insecten. Ook voor bezoekers is het gevarieerde bos aantrekkelijk.

c. Toekomstige doelen

De grote ommekeer in het bosbeheer vond plaats in de tweede helft van de vorige eeuw: het bos werd niet langer beschouwd als een houtgewas, maar als een ecosysteem waaruit al dan niet hout geoogst kan worden. De decennia rond de recente eeuwwisseling zijn veel beheerders bezig geweest met het creëren van meer natuur in de als productiebos aangelegde bospercelen: meer gemengd bos, voorkeur voor inheemse boomsoorten, meer ruimte voor spontane processen, en het in het bos laten staan en liggen van dood hout. Het is evident dat dit de natuur in de bossen veel goeds heeft gebracht, maar tegelijkertijd ten koste is gegaan van een deel van het productievermogen. Een kromme, takkige eik bijvoorbeeld heeft immers wel betekenis voor de natuur, maar levert geen waardevol hout.

Het bos is de afgelopen eeuw mooier geworden

In de periode tussen 2010 en 2015 zijn in Nederland door bezuinigingen de bakens weer enigszins verzet: er kwam weer meer belangstelling voor de productiefunctie van het bos. Het gaat hier echter om accentverschillen: iets meer aandacht voor productie en wat minder maatregelen gericht op natuur.

Kijkend naar de geschiedenis van het bosbeheer is de kans reëel dat de huidige opvattingen over het bos in de toekomst weer eens zullen veranderen. Het bos is de afgelopen halve eeuw op veel plaatsen behoorlijk gevarieerd geworden, zowel in boomsoorten - steeds meer bossen zijn gemengd - als in de ruimtelijke opbouw, de bosstructuur. Met die toegenomen variatie is het bos - zie daar een sterk punt van geïntegreerd bosbeheer - flexibel geworden in het gebruik. Het kan accentverschuivingen aan zonder dat het bos op grote schaal moet veranderen. De op continuïteit gerichte bosbeheerder is terughoudend met bosomvorming en zal zich vooral richten op bosontwikkeling.