a. Hoeveel kunnen we duurzaam oogsten?

Houtoogst is het feitelijk uit het bos halen van hout. De vraag moet worden gesteld: hoeveel hout kunnen we er uit halen zonder dat dat ten koste gaat van de duurzame instandhouding van het bos en kan dat eindeloos doorgaan?

Hout is een hernieuwbare grondstof. Het hoofdbestanddeel van hout, koolstof, halen de bomen uit de CO2 uit de lucht, en dat is ruimschoots beschikbaar. Zodoende kan met recht gesproken worden van een duurzaam product.

Op het principe ‘niet meer oogsten dan er bijgroeit’ valt wel wat af te dingenOverigens, het begrip duurzaam is een paar eeuwen terug door Franse bestuurders zie: https://fr.wikipedia.org/wiki/Ordonnance_de_Brunoy bedacht als antwoord op de roofbouw en bosverwoesting die overal in Europa plaatsvond. Duurzaamheid is sindsdien een kernbegrip in het bosbeheer: het bos en daarmee zijn productievermogen namelijk zodanig in tact laten dat er duurzaam hout kan worden geoogst. Een basisprincipe van het bosbeheer luidt daarom ‘oogst niet meer dan de bijgroei’. Vanuit een context van bosbescherming is dat een begrijpelijk principe, maar hier is een nuancering op zijn plaats.

Gemiddeld groeit er in Nederland jaarlijks op iedere hectare bos ongeveer 7m3 hout bij: we noemen dat de aanwas. Er wordt geregeld hout uit ons bos geoogst, maar al jaren aanzienlijk minder dan er bijgroeit. Er staat daardoor nu veel meer hout in het bos (gemiddeld 230 m3 per ha) dan bijvoorbeeld vijftig jaar geleden (gemiddeld 150 m3 per ha). En zolang we minder blijven oogsten dan er bijgroeit zal de ‘staande houtvoorraad’ zoals dat heet, nog verder toenemen.

Op de vraag wat een optimale voorraad is valt geen eenduidig antwoord te geven, het hangt van de doelstelling Vanuit de natuuroptiek is een wat lagere voorraad soms gewenst: bos met een open structuur (en dus lage houtvoorraad) geeft over het algemeen een hogere biodiversiteit. Ook vanuit financieel oogmerk is een hoge voorraad lang niet altijd gunstig, het ‘kapitaal’ kan dan flink oplopen en het financiële rendement achterblijven. Dan kan het tijd worden voor een alternatieve bestemming van het kapitaal en dus de houtvoorraad te verzilveren. van het bos af. Feit is dat een wat structurelere verlaging van de houtvoorraad alleen te bereiken is door tenminste een langere periode méér te oogsten dan de bijgroei. En dat brengt de instandhouding van ons bos natuurlijk geenszins in gevaar. Integendeel, het kan zowel ecologisch als visueel een verrijking van het bos zijn.

b. De effecten van houtoogst

Naast CO2 gebruiken de bomen voor de vorming van hout ook water en mineralen uit de bodem. Veel van die mineralen komen via het blad, afgevallen takken en de zaden e.d. weer vanzelf terug als humus in de bodem, een klein deel wordt echter met het hout afgevoerd uit het bos. Je zou kunnen spreken van een klein lek in de kringloop. Op kleigronden en de rijkere zandgronden met leem komen voldoende voedingsstoffen beschikbaar uit primaire verwering van bodemmateriaal. Op arme zandgrond kan mogelijk op termijn door de houtafvoer van bepaalde mineralen een tekort ontstaan. De afvoer van tak- en tophout (waarin het aandeel mineralen gemiddeld hoger is dan in het stamhout) voor gebruik in energiecentrales wordt om die reden op de arme groeiplaatsen afgeraden.

c. Machines in het bos

Ging het omzagen van bomen vroeger met de motorzaag, al geruime tijd worden bij de houtoogst grote machines ingezet. Het vellen en onttakken van de bomen gebeurt door een oogstmachine, harvesters of processors genaamd. Met een grote klauw aan een beweegbare arm wordt de boom vastgepakt en omgezaagd, de machinist kan de boom daarna laten vallen waar hij wil (en dus zo min mogelijk de ondergroei beschadigen) en in no time wordt de stam van zijn takken ontdaan en in stukken gezaagd. Het uitslepen van het hout gebeurde vroeger met paarden. Tegenwoordig komt er een zogenaamde uitrijwagen die de stamstukken die de harvester langs het dunningspad heeft gelegd oplaadt en naar een stapelplaats brengt.

Bodemverdichting door machines is een punt van zorgMet name de machinale velling betekent een enorme tijdbesparing en verlichting van de zware bosarbeid. Hoewel het bos er na de houtoogst vaak rommelig en wat gehavend uit ziet, hoeft - als het werk met beleid en aandacht gebeurt - dat nauwelijks schade aan het bos op te leveren. Meestal is een of enkele jaren later van de ingreep niet veel meer te zien. De zware machines kunnen wel schade aan de bosbodem aanrichten; met name de bodemverdichting is in vakkringen een punt van zorg. Door o.a. het gebruik van rupsbanden en vaste dunningspaden de route waarover het hout uit de bospercelen gereden wordt, niet kris kras maar bij iedere dunning over het zelfde pad  probeert men de negatieve effecten op de bosbodem te beperken. De sterkste bodemverdichting en ‘insporing’ door de machines vindt plaats als de bosbodem nat is. Veel beheerders leggen bij slechte weersomstandigheden daarom het werk stil.